.jpg)
we vonden voor u een paar opmerkelijke artikelen die handelen over gevoelnes van planten en bomen. We hebben de artikelen integraal overgenomen en bedanken daarvoor de auteurs.
HEBBEN PLANTEN OOK ZO HUN GEVOELENS
SOS SIGNALEN VAN PLANTEN
In het rechtervenster vonden we nog een aardig artikel over plantengeuren.
GEUR
Veel leeswerk doch hoogst interessant. Neem de proef op de som en meldt ons uw resultaten. Wij zullen hetzelfde doen

Bij geur denken wij meestal aan bloemen maar ook andere onderdelen van planten kunnen soms een sterke geur verspreiden. Bij blad van munt en thijm is dat een geur die wij als lekker ervaren.
Bij de Eucalyptus wordt het al discutabel of het blad nu lekker ruikt of vies, en bij de Stinkende ballote, Ballota nigra, is iedereen het er wel over eens dat die plant uitgesproken onaangenaam ruikt.
Alleen de interpretatie van de stank wil nog weleens verschillen. De één zal beweren dat de ballote naar pis stinkt terwijl een ander het meer op zweetvoeten houdt. Stinkende ballote is een inheemse plant met lila lipbloemen die je in bermen en langs dijken kunt vinden.
Clerodendrum bungei is een struik met dof, donkergroen blad en grote roze bloemschermen in het najaar. De bloemen ruiken zoet, maar de geur van het blad wordt door sommigen vergeleken met ranzige pindakaas en door anderen met een paardenlucht.
Onplezierige luchtjes worden trouwens vaak met dierengeur vergeleken. Het blad van de heester Escallonia illinita ruikt naar een varkensstal, dat van bokkenkruid, Hypericum hirsinitum, naar - u raadt het al - bokken. De bollen van de keizerskroon, Fritillaria imperialis, verspreiden een onaangename geur die vaak wordt omschreven als roofdierenlucht.
Nu zit die bol als het goed is onder de grond zodat je er weinig last van hebt, maar de bodembedekker Phuopsis stylosa verspreidt diezelfde stank bovengronds. Phuopsis lijkt wat op een grove vorm van lieve-vrouwe-bedstro, maar dan met roze bloemen. Er zijn tuiniers die de plant om zijn bodembedekkende kwaliteiten toepassen en de stank kennelijk voor lief nemen. Ik bewonder hem liever bij een ander. Zet Phuopsis in ieder geval nooit in de buurt van uw terras.
Aan de geur van bloemen kun je vaak afleiden welke insecten de plant probeert te lokken. Friszoete, voorjaarsachtige geuren, zoals die van het Maarts viooltje, de sleutelbloem en de linde, wijzen erop dat de plant probeert om bijen en hommels als bestuivers te trekken. Bedwelmend zoete geuren, zoals die van de vlinderstruik, geven aan dat de plant het meer op vlinders heeft gemunt. In het geval van nachtgeurders, zoals de tabaksplant en de kamperfoelie gaat het om het aantrekken van nachtvlinders.
Vaak heeft de zoete geur van bloemen een ondertoon van iets scherps die als onprettig wordt ervaren. Vlier bijvoorbeeld, ruikt zoet en tegelijkertijd naar kattenpis en bloeiende pioenrozen ruiken zoet en ranzig tegelijk. Dergelijke zoete geuren die niet echt prettig zijn geven aan dat de plant zich op het aantrekken van allerlei keversoorten heeft gericht. Ook weezoete geuren, zoals die van de berenklauw, trekken vaak kevers aan.
In de aronskelkenfamilie vinden we de meest opmerkelijke geuren. Veel aronskelken proberen vliegen te lokken en verspreiden daartoe een misselijkmakende aasgeur.
Sauromatum guttatum, een plant waarvan de knol op bloemenmarkten als droogbloeier wordt verkocht, stinkt naar een beerput en veel andere familieleden van deze plant suggereren dat er ergens in de buurt een dode rat al flink in ontbinding is. In de tuin heb je weinig last van dergelijke stinkers, maar in de huiskamer zou ik uitkijken met planten uit de familie van de Araceae, zoals de aronskelkenfamilie officieel heet.
De bekendste aronskelk voor tuingebruik is misschien wel Lysichiton americanus, een moerasplant die in zijn thuisland, het noordwesten van de Verenigde Staten en Canada, bekend staat onder de naam skunk cabbage.
Een skunk is een stinkdier en hoewel ik dit dier nog nooit ben tegengekomen kan ik me er wel iets bij voorstellen. Lysichiton americanus doet het goed aan de rand van een sloot of vijver en bloeit vroeg in het jaar met enorme gele schutbladen die een vingervormige kolf omgeven.
Vaak staan we er niet echt bij stil, maar geuren zijn mee bepalend voor de sfeer van de tuin. Denk maar aan de geur van natte varens na een regenbui, van pas gemaaid gras, van bloeiende seringen, ... Door welriekende bloemen- en plantensoorten aan te planten creëert u een eigen geurtuin die op elk moment van de dag en in ieder seizoen een uitdaging vormt voor uw reukzin. Een tuin als een echt parfum…
De geuren die planten en bloemen verspreiden zijn afkomstig van de etherische oliën van de plant, die vrijkomen in de lucht. Die geuren kunnen aanwezig zijn in alle delen van de plant. In de eerste plaats denken we uiteraard aan de bloemen. Rozen, lelies, fresia's ... worden al eeuwenlang gekweekt en gekoesterd om hun heerlijke parfum. Maar ook bladeren kunnen een aangename geur verspreiden. Die komt dan meestal vrij bij aanraking of na kneuzing. Bij de meeste tuinkruiden is dat het geval.
Vaak zijn geurende bloemen een lokmiddel voor insecten, die dan voor de bestuiving moeten zorgen. Sommige bloemen imiteren zelfs de geur van vrouwelijke insecten om zo de mannelijke soortgenoten aan te trekken. Geurende bladeren zijn dan weer eerder een afweermiddel voor insecten of andere diertjes. Ze kunnen als het ware worden beschouwd als een natuurlijk verdedigingsmiddel van de plant. Want ook al vinden wij, mensen, die geur aangenaam, dieren ervaren hem als onaangenaam en zullen de plant bijgevolg mijden of negeren. Verder bestaat er een opvallend verband tussen geur en de kleur van bloemen. Felgekleurde exemplaren (oranje, rood, blauw, ...) geuren doorgaans minder dan bloemen met een neutralere kleur (roze, lichtgeel, wit, ...). De reden ervan heeft ook hier weer te maken met het aantrekken van insecten: felgekleurde bloemen trekken de insecten aan met hun kleuren, terwijl onopvallende bloemen de diertjes met hun geuren moeten lokken.
Om volop te kunnen genieten van de geuren in de tuin zou het eigenlijk bijna windstil moeten zijn. Een zacht briesje brengt de geuren binnen neusbereik, maar een stevige wind waait alle geuren weg. Een beschutte tuin, bij voorkeur ommuurd, is dan ook ideaal voor wie wil experimenteren met geurende planten en bloemen. Daarnaast is de geurfactor ook sterk temperatuurgebonden. Op warme dagen kan de lucht soms verzadigd zijn van heerlijke geuren, terwijl we op koude dagen weinig of niets ruiken. Etherische oliën komen nu eenmaal gemakkelijker vrij bij hogere temperaturen. Ook het moment van de dag kan soms bepalen of een plant al dan niet geuren afscheidt. Zo gaan sommige planten pas tegen de avond ruiken, dit om nachtelijke insecten (meestal nachtvlinders) aan te trekken die instaan voor de bestuiving van de bloemen. Een van de bekendste bloemengeuren die we met zwoele zomeravonden associëren is die van de kamperfoelie.
Bij de aanleg van de tuin kan men zich laten leiden door verschillende invalshoeken. Sommigen willen een strakke tuin waarin vooral hagen, struikmassieven, graspartijen en in vorm gesnoeide struiken zoals buxus en taxus een hoofdrol spelen. Anderen kiezen dan weer voor een romantische Engelse tuin waarbij `wilde', veelkleurige bloemenborders de aandacht naar zich toetrekken. U kunt eveneens opteren voor een tuin in één of meerdere kleurtinten: alleen gele, witte of rode bloemen bijvoorbeeld, of de combinatie van witte en blauwe bloemen. Maar ook allemaal verschillende groentinten kunnen een optie zijn. In dergelijke tuinen zullen we vooral planten vinden die in het oog springen door hun sierlijke en kleurrijke bladeren, en minder door hun bloemen die vaak discreet en onopvallend ogen.
Het is eveneens perfect mogelijk om de geur centraal te stellen. Meestal is de aangename geur van een plant of bloem een leuk extraatje in de tuin, maar u kunt geur ook tot hoofdthema van uw tuin maken door te kiezen voor een assortiment van geurplanten en welriekende bloemen. Een volledig overzicht brengen van alle geurende bloemen en planten kan hier niet, en bovendien is geur iets subjectiefs - sommigen houden van een zoete geur, anderen van een kruidige of een frisse geur. Toch willen we u een opsomming aanbieden van enkele courante bloemen en planten waarvan de geur doorgaans door iedereen als aangenaam wordt ervaren. Dit lijstje kan misschien als leidraad dienen bij de aanleg van een geurtuin. U kunt er ook enkele planten- of bloemensoorten uitpikken die in uw huidige tuin voor extra geuraccenten zorgen.
Geurende eenjarige en tweejarige bloemen zijn reukerwtjes (lathyrus odoratus), siertabak (nicotiana sylvestris) waarvan de bloemen vooral 's avonds geuren, de heliotroop (zoete vanillegeur) en Afrikaantjes (tagetes). Geurende kuipplanten zijn onder meer engelentrompet (brugmansia), citroenverbena (aloysia triphylla) waarvan de naar citroen geurende blaadjes ook als keukenkruid worden gebruikt, jasmijn (jasminum officinalis) en eucalyptus. Bij de bol- en knolgewassen zijn fresia's, lelies (lilium), hyacinten (hyacinthus), mirabilis (vooral nachtvlinders zijn dol op de bloemen die zich pas in de late namiddag openen, wat meteen de Nederlandstalige benaming `nachtschone' verklaart), narcissen (narcissus) en sneeuwklokjes (galanthus nivalis) de bekendste'geurverspreiders'. Wat vaste planten betreft, raden we volgende soorten aan: de dropplant of agastache (bij wrijving geven de blaadjes een anijsachtige geur af), anjers (dianthus), maartse viooltjes (viola odorata), meiklokjes (convallaria majalis), kattenkruid (nepeta) en lievevrouwebedstro (galium odorata). Van dat laatste gebruikt men de geurende bloemen ook voor het maken van het aperitiefdrankje Maitrank, dat vooral in de Belgische Ardennen, de Franse Lorraine, het Groothertogdom Luxemburg en Duitsland populair is. Bij kruiden zijn het vooral de bladeren die voor de typische aroma's zorgen, zeker in het geval van aanraking of kneuzing. De bekendste voorbeelden zijn tijm (thymus), rozemarijn (rosemarinus officinalis), lavendel (lavandula), salie (salvia officinalis), laurier (laurus nobilis), alsem (artemisia), munt (mentha), oregano (origanum vulgare), basilicum (ocimum basilicum) en hysop (hysop-pus). Vooral binnen de grote groep van de heesters is er een grote keuze aan welriekende exemplaren. Denk maar aan rozen (let wel: heel wat rozen verspreiden geen enkele geur, kies dus voor geurende variëteiten), boerenjasmijn (philadelpus), sering (syringa vu/-gans), kamperfoelie (lonicera), vlinderstruik (buddleia), azalea (azalea mol/is), schijnhulst (osmanthus) en de winterbloeiende struiken viburnum, vleesbes (sarcococca) en mahonia japonica (die ook aantrekkelijke bessen draagt). Ten slotte staan ook sommige bomen bekend om de geur van hun bloesems. Enkele voorbeelden zijn de linde (tilia), de winterbloeiende toverhazelaar (hamamelis) en de naaktbloeiende sneeuwklokjesboom (halesia). De levensboom (thuya) wordt dan weer vaak aangeplant omwille van zijn typische coniferengeur.
Worden vlinders net als mensen aangetrokken door de geuren van bloemen? We zijn geneigd te denken van wel en toch is het niet de bloemengeur die ze lokt. Wie graag een tuin wil waar vlinders zich thuis voelen, moet inderdaad bloemen aanplanten, maar dan die soorten die veel nectar bevatten. Vlinders voeden zich immers met bloemennectar. Daarnaast moeten er ook planten aanwezig zijn die als voedsel dienen voor rupsen. Deze dragen de naam waardplanten.Vlinders leggen er hun eitjes op en wanneer de rupsen dan uitkomen, hebben ze onmiddellijk een overvloed aan voedsel. De waardplant varieert van vlindersoort tot vlindersoort. Zo houden witjes van koolsoorten en andere kruisbloemigen (koolzaad, pinksterbloem, damast-bloem), terwijl de atalanta, de dagpauwoog, de kleine vos en het landkaartje brandnetels verkiezen. Deze laatste zijn nu niet bepaald geliefde gasten in de siertuin. Maar als u ergens een hoekje voorziet waar u de brandnetels combineert met andere stikstof-minnende planten (stinkende gouwe, donkere ooievaarsbek, hondsdraf, boterbloem, ...) verkrijgt u toch nog een aantrekkelijke, kleurrijke begroeiing die niet uit de toon valt in uw siertuin.
Wanneer de rupsen volgroeid zijn, verpoppen ze zich. Na een poosje wordt de pop een vlinder. Wilt u de vlinders in uw tuin houden, zorg dan dat ze meteen bij hun voedsel kunnen. Nectarrijke planten zijn, onder andere de vlinderstruik (buddleia), ijzerkruid (verbena officinalis), damastbloem (hesperis matronalis), herfstaster (aster amellus), koninginnenkruid of purper leverkruid (eupatorium purpureum), lavendel (lavendula), hemelsleutel (sedum spectabile), vaste muurbloem (erysimum cheiri) en enkelbloemige afrikaantjes (tagetes).Vlinders beschikken over een lange roltong waarmee ze tot heel diep in de bloem kunnen gaan om de nectar te drinken. Maar planten met gevulde bloemen vormen doorgaans een probleem voor vlinders: door al die kroonblaadjes raken ze namelijk niet tot bij de nectarbron. Dat is meteen ook de reden waarom alleen enkelbloemige afrikaantjes, en niet de dubbelbloemige soorten, geschikt zijn als nectarleverancier. Wist u trouwens dat afrikaantjes ook nog op ander gebied nuttig kunnen zijn in de tuin? Wanneer u enkele van deze plantjes tussen uw tomaten, aardappelen, rode bieten,wortelen of erwten ... plant, zuiveren ze de bodem van wortelaaltjes die een ware plaag vormen voor deze groenten. Zo doen afrikaantjes dienst als milieuvriendelijk'pesticide'.
Vlinders zijn koudbloedige diertjes. Dit betekent dat ze zon nodig hebben om energie op te doen en dus om te kunnen vliegen. Daarom zien we vlinders vaak 'zonnebaden' met hun vleugels open, om zo veel mogelijk warmte op te vangen. Wordt het echter te warm, dan sluiten ze hun vleugels weer en zoeken ze schaduw op, bij voorkeur in hagen en heggen. Voorzie daarom ook enkele schaduwrijke plekken in uw tuin.
Of er nu veel of weinig vlinders in uw tuin rondfladderen, hangt natuurlijk ook af van de omgeving. Het spreekt voor zich dat in een tuin op het platteland, in een landschap met veel weilanden en bloeiende planten, meer vlinders zullen huizen dan in een geïsoleerd stadstuintje. En toch, ook in het kleinste tuintje, ja zelfs op het balkon of terras zullen vlinders hun weg vinden naar nectarrijke planten.
Auteur: Romke van de Kaa
Planten die last hebben van insectenvraat roepen om hulp. Ze communiceren met chemische signalen; zo trekken ze de natuurlijke vijanden van hun belager aan. Tot nu toe ziet bijna iedereen die driehoeksrelatie tussen plant, plantenetend insect en insecteneter over het hoofd.
Een bonenplant krijgt op een kwade dag bezoek van bladluizen. De luizen doen zich tegoed aan de bladeren en beschadigen de plant aanzienlijk. Enkele uren later verschijnt een aantal sluipwespen, de natuurlijke vijanden van bladluizen. Ze leggen hun eieren in de bladluizen, die er op termijn aan sterven. Daarmee verlossen ze de plant van zijn plaaggeesten. Toeval?
Een plant kan niet weglopen voor gevaar – hij zit in de aarde geworteld. Toch zijn planten overvloedig op onze planeet aanwezig. Blijkbaar lijden ze geen kwijnend bestaan. Hun leven en óverleven danken ze aan dieren.
Op het eerste gezicht klinkt dat vreemd. De overleving van een plant hangt immers grotendeels af van zijn bescherming tegen dierlijke vraat, door giftige stoffen, smaakvergallers of stekels. Niettemin ontkomt geen enkele plant aan insecten. Altijd is er minstens één insectensoort die door de verdediging heen breekt en zich specialiseert in het vinden en consumeren van die ene plantensoort.
Sommige insecten eten planten. Andere insecten eten insecten. Telkens zijn vijand en slachtoffer verwikkeld in een aanval-verdedigingsspel. Biologen beschouwden het spel tussen insectenetende en plantenetende insecten lange tijd als iets waaraan de plant niet deelneemt.
In de jaren tachtig ontdekten ze echter dat de plant een bondgenootschap kan sluiten met de vijand van zijn belager. Daarmee bleek dat planten twee vormen van verdediging hebben, een directe en een indirecte. Directe verdediging richt zich rechtstreeks op de planteneter. Indirecte verdediging vergroot de effectiviteit van de vijanden van de planteneters, volgens het principe ‘de vijand van je vijand is je vriend’.
De natuur heeft planten toegerust met diverse manieren van indirecte verdediging. Een eerste strategie is het aanbieden van geschikte schuilplaatsen, waardoor insecteneters de plant als woonplaats kiezen. In de opgezwollen stekels van de acaciaboom bijvoorbeeld, wachten mieren op eetbare planteneters.
Een plant kan insecteneters ook lokken met voedsel zoals stuifmeel of suikerhoudende uitscheidingen. Bij een derde manier van indirecte verdediging helpt de plant insecteneters om de planteneters te vinden. Dit kan de plant doen door, nadat hij is aangevallen, geurstoffen als een soort SOS-signalen uit te zenden. De plant verspreidt informatie; hij communiceert.
Informatie is een bijzonder verschijnsel. Je kunt het niet eten, je gaat er niet dood van en toch is het van groot belang om te kunnen overleven. De rol van – chemische – informatie in wisselwerkingen tussen plant, planteneter en insecteneter kent veel overeenkomsten met de functie van informatie in de menselijke samenleving. Je kunt er van alles mee uithalen. Je kunt eerlijke informatie verspreiden, maar ook misleidende informatie, of je kunt informatie van anderen afluisteren. Wat dat betreft lijken planten en dieren op mensen.
Planteninformatie staat ter beschikking van buurplanten, planteneters die op zoek zijn naar een voedselplant, concurrenten van de insecteneter en vijanden van de insecteneter. Stuk voor stuk kunnen ze de signalen gebruiken of misbruiken. Een onderzoeker die de functie en de voor- en nadelen van de informatie wil begrijpen, heeft geen gemakkelijke opdracht. Hij moet alle wisselwerkingen waarbij de planteninformatie een rol speelt, ophelderen.
De analyse van wisselwerkingen tussen plant, planteneter en insecteneter is het begin van de analyse van een omvangrijk informatienetwerk.
Wie de complexe netwerken van relaties tussen de organismen uit een ecosysteem wil ontrafelen, brengt gewoonlijk een voedselweb in kaart. Een dergelijk schema voegt alle voedselrelaties uit het ecosysteem samen. Het toont de interactie tussen bijvoorbeeld een plant en een planteneter of tussen een planteneter en zijn vijand. De uitkomst van deze wisselwerkingen hangt af van de acties van aanvaller en verdediger.
In tegenstelling tot een informatienetwerk, houdt een voedselweb geen rekening met indirecte wisselwerkingen. Toch kunnen juist díe de uitkomst van directe wisselwerkingen bepalen. Als een insecteneter veel planteneters opeet, zal de voedselplant van die planteneters minder vraat kennen. Natuurlijk is de analyse van informatienetwerken gecompliceerder dan de analyse van voedselnetwerken. Vaak is een stapsgewijze aanpak vereist, waarbij de kennis uit eenvoudige netwerken dient voor de analyse van ingewikkeldere informatienetwerken.
Planten vormen een rijke bron van chemische verbindingen. Er zijn meer dan 100.000 plantenstoffen bekend die de plant niet nodig heeft voor groei en ontwikkeling en onderzoekers ontdekken dagelijks nieuwe verbindingen. Planten zijn gespecialiseerde chemische fabrieken. Insecten, zowel de planteneters als de insecteneters, leven dus in een chemische wereld. Die chemische wereld is sterk veranderlijk, zowel in ruimte als in tijd.
Een insect eet van een tabaksplant. De tabaksplant maakt meer nicotine aan. Het insect sterft aan vergiftiging. Het is oud nieuws dat de chemische samenstelling van planten kan veranderen als reactie op vraat. Met een giftige stof valt de plant zijn belager aan. Deze directe verdediging gebruikt een nieuwe stof of een verhoogde productie van een stof die de plant al eerder aanmaakte.
Een nieuwer inzicht is dat een gewijzigd geurprofiel van planten ook effect kan hebben op insecteneters, als onderdeel van de indirecte verdediging. Dat is ondertussen bewezen voor meer dan twintig plantensoorten in twaalf families. Deze planten maken in reactie op vraatschade geurstoffen die de vijanden van de plantenetende insecten als een soort lijfwachten aantrekken.
